Hier keek ik al lang naar uit en het is ook de belangrijkste reden waarom ik in Kota Kinabalu ben. Kota betekend stad en Kinabalu is gewoon de naam van de berg. De Mt. Kinabalu (4095,2m) is de hoogste berg van Zuid Oost Azië. Pas op, technisch gezien is er nog één hogere in het uiterste noorden van Myanmar, maar dat is een uitloper van de hymalaya en telt daarom niet mee. Op het eerste zicht lijkt dit niet zo hoog, maar om via modderpaden en geïmproviseerde rotsbloktrappen deze heilige berg bestijgen is niet iedereen gegeven. Vraag dat maar aan die Chinese lijken (figuurlijk) die ik achter mij heb gelaten en iedereen die aan de zuurstof moest. Nu wil ik niet arrogant klinken, maar ik wist heel goed waar ik aan begon en ik ben die berg als een zot omhoog gevlogen. Ik had het al een tijd op voorhand geboekt en alles was echt tot in de puntjes in orde. Alleen mijn vervoer naar het park moest ik zelf nog regelen, maar dat was peanuts.

Eens aangekomen krijg ik eerst wat te eten, bergen ze mijn grote rugzak veilig weg en krijg ik ook nog een privé gids ter beschikking, terwijl ik dacht dat we in een groepje naar boven zouden gaan. “You go fast, I go fast, you go slow, I go slow” meer had ik niet nodig om er al direct een stevig tempo tegenaan te smijten, want ik stond strak. Dat minderde al snel, maar eens in m’n ritme ging het toch nog goed vooruit en staken we heel wat slakken voorbij. In het begin kan je het het beste vergelijken met een hardcore boswandeling, maar na een halve kilometer begint het pas echt. Glade grote rotsen en stenen, soms een steil trapje met veel te grote treden, modder,… en een heel vochtige jungle, net zoals jungles moeten zijn. Yeah. Om de kilometer staat er een checkpost waar je eens naar de wc kan gaan en eens rustig van je water kan drinken. Veel mensen slepen zich hijgend en puffend van post naar post of gaan gewoon neer. Volgens mijn gids, gisteren opvallend veel. Wij niet, wij gaan als een speer en zijn in ongeveer 4,5 uur in Laban Rata, zeg maar het basiskamp. Kort daarna begint het stevig te regenen en al de mensen die ik dan nog zie binnenkomen zijn doorweekt terwijl ik nog eens van mijn koffie drink. Het laatste stukje heb ik wel gedaan met Sophie en haar vriendin –wiens naam echt belachelijk moeilijk te onthouden was – uit Londen en Peter uit Australië. Door een panne was er in ons gebouw geen electriciteit dus ook geen warm water. Damn! Dan nog maar eens Bear Grylls’ style onder ijskoud bergwater douchen. Wat daarop volgde was een schranspartij (vooral van Peter en mij) zoals nooit tevoren. Honger dat je krijgt van zo’n inspanning. We praten en lachen nog wat, maar niet te lang, want om 02.00u moeten we weeral opstaan om te ontbijten en om 02.30u naar de top of ‘summit’ te vertrekken.

Ik slaap als een roosje en om 02.00u vlieg ik dan ook uit mijn ketel, opgewonden om eindelijk naar die top te gaan. Mijn drie vrienden slapen erg slecht en zie ik na het ontbijt pas heel veel later terug boven op de top. Overdag hier klimmen is al gevaarlijk, ’s nachts nog veel veel meer. Ik vond het niet nodig om nieuwe batterijen in mijn hoofdlampje te steken en liep er stoms dan ook maar belachelijk bij naast die Chinezen met hun super high tech kopfaar. Daarbij zag ik het een stuk minder goed, maar dus goed dat ik kon profiteren van mijn gele gezelschap. Wel vermoeiend op zo’n hoogte zo’n inspanning leveren, dat viel echt op. Als tweede bereikte ik de top. Altijd als ik iemand of een groepje in mijn vizier had wou ik er naartoe, beetje zoals wielrennen, maar dan klimmen in den donker op een rots. We waren pas laat vertrokken, maar achteraf bekeken had ik het beter een beetje trager gedaan, want eens op de top heb ik daar nog twee uur moeten wachten eer de zon erdoor kwam en iet of wat warme begon af te geven. Belangrijke les: een Dibo regenfrakske is geen winterjas. Maar ik was niet de enige, sommige dwazen hadden het zelfs geriskeerd om in korte broek te komen. Oh en nog iets. Ik ontliep de dag ervoor expres al heel de tijd een super irritant Hollands koppel. Zit ik rustig op de top mijn warmte te rantsoeneren, hoor ik vlak achter mij iemand onophoudelijk zagen over z’n spijkerbroek. Miljaar! Zelfs daar kom je ze tegen! Ik kon wel in dat ravijn springen, maar ben gewoon verhuisd naar de rand van de afgrond. Je ziet de zon heel lang komen en dan ineens is ze daar met haar lekker warme stralen, daar zat iedereen op te wachten. De kodakken worden massaal bovengehaald voor dit toch wel betoverende moment. Ik zou er heel veel worden aan vuil kunnen maken, maar daar naartoe klimmen, dan onder een heldere sterrenhemel naar die top doorzetten, boven de wolken wachten op de sunrise en als het dan eindelijk zover is… onbeschrijflijk. Je kan wel naar de foto’s kijken, maar om het te kunnen vatten zou je erbij moeten geweest zijn. Zonder er overdreven lyrisch over door te drammen, dat hadden we dan ook weeral gehad.

De afdaling dan, volgens sommigen nog zwaarder dan de klim. Eerst weer afdalen tot Laban Rata, nog eens ontbijten en dan waren we weg. Alleen mijn gids en ik. Die afdaling is echt een knie-killer. Constant door de knieën, grote tredes en sprongen pakken, amai, gelukkig heb ik twee goeie. Toch voel ik ze nu nog steeds. Dalen duurt normaal 3 tot 4 uur, maar ik vond het echt mega leuk, mijn knieën werden bijna niks gewaar en ik ging als een tubro-bambi de berg af. Totale tijd, 2u10min. Even ter info: elk jaar is er een wedstrijd om ter snelst de berg op –én af lopen. De climbathon. Snelste tijd staat op naam van een Italiaan… 2u en 33min. Ik klets dus niet uit mijn nek en volgens mijn gids was ik ook verrie goed. Ik herhaal (nogmaals) ik stond dan ook verrie strak. Hup een beneden nog maar eens buffet eten en dan lieten ze me eindelijk gaan. Ik pak de eerste bus terug naar de stad en geniet onderweg van het onwaarschijnlijke mooie landschap van Borneo. Nu heb ik mijn deel Aziatische panorama’s al wel gehad, maar hier kan echt niks tegenop. Borneo is oerknap.

Morgen vlieg ik naar Tawau om overmorgen (normaal) te gaan duiken op Sipadan, één van de mooiste duikplekken ter wereld. Joepie.